Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijdelijk bestaan. Hetwelk al gegeven en bepaald wordt dooi- hun eigenaardige verhouding tot, en band aan het Hoofd der Kerk zeiven. en hun eigenaardige gemeenschap aan Zijn geestelijke goederen. Het eene stelt en bepaalt hier het andere, en maakt het in dezelfde mate onbewegelijk waar; hoezeer ons hoog standpunt immers de Kerk, dat zijn w ij ! — hiertegen geneigd is zich te verzetten.

De zoogenaamde zichtbare kerk — hoewel er geen zichtbare kerk is dan alleen in den zin van de zichtbare zijde der Kerk — bestaat dus niet enkel uit oprecht geloovigen. En toch, zoo moeten wij erkennen, noemt de H. Schrift de Gemeente Gods, gelijk zij zich in dat uitwendige aan het oog aanbiedt, met zulke namen, die doen denken alleen aan oprecht geloovigen, of innerlijk wedergeborenen, b.v. 1 Cor. 1: 2, 1 Thess. 5 :27, 2 Thess. 1 : 1, enz. Op deze en dergelijke plaatsen wordt nu de nadruk gelegd. Bijna algemeen oordeelt men dat hier gebruik wordt gemaakt van de onderstelling, gelijk wij die ook in onze kerken als regel hebben aangenomen. Paulus onderstelt van allen, die uitwendig in de Kerk te Corinthe, te Thessalonica enz. waren, dat zij wedergeboren zijn! Vandaar noemt hij de leden dier gemeenten op een wijze die niemand uitzondert: „geheiligden in Christus Jezus", „geroepen heiligen , enz.

Nu zeggen wij dit. Als Paulus zoo spreekt, wie zegt dat hij dan óók zulken op het oog heeft die bloot uitwendig, en niet ten volle en wezenlijk tot de Kerk te Corinthe enz. behoorden? Wie zegt dat? Zegt de Schrift het? Neen, nergens. Men heeft het zoo gedacht. Wie zegt, dat als Paulus schrijft: „aan de Gemeente Gods die in Corinthe

is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepen heiligen,

dat hij dan die Gemeente in haar w ij d s t e n kring omvat, en in haar uitwendige verschijning bedoelt, en niet enkel de Gemeente zelf, de e i g e n 1 ij k e Gemeente, in den geestelijken en meest eigenlijken zin van dit woord ? Niemand zegt dit: men neemt het zoo aan. Maar wat

Sluiten