Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEEËN.

O hoort ge niet weenen en klagen,

In den mist, op de weemlende straat, Als van kindren, die aalmoezen vragen, Met ellende op het bleek gelaat?

't Zijn mijn oude, mijn trouwe Weeën,

Die 'k met u mij te ontvluchten vermeet. Zij fluistren van jaren geleeën

En klemmen zich vast aan mijn kleed.

— „En wilt ge dan óns nu verlaten,

Die u schonken zoo menig lied ?

En wilt ge ons verjagen en haten,

Als ge in droomen ons wederziet?"

O daarom gaan sneller mijn voeten!

O daarom, bevangen van schrik,

Of mijn oogen hun oogen ontmoeten,

Werp ik achter me een angstigen blik.

O daarom als, stil met ons tweeën,

Ge in uw armen zoo veilig mij houdt, Moet ik weenen om de arreme Weeën... Ze waren zoo bleek, zoo koud!

Sluiten