Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lijk den belegerde, op één plaats der muren, de stormram tegenbeukt, met dof geweld,

en steen na steen vergruist, waar 's vijands vuren dóórglinstren, tot een wal is neergeveld,

langs waar, met strijdgeschal en volle vanen, de stormers zich een weg ter zege banen;

zoo richt de zon heur strak vereenden gloed op 't ééne punt, ter kruisdreef, vóór dien boom, en beukt met stijgende geweld en doet in striemen 't vloeiend bloed den donzen doom doorsprietlen, snijdt heel 't waas, met scherp gestraal, te flarde en viert heur volle zegepraal,

terwijl de neevlen, witte schimmen, vlieden, wegslierend door de dreven, half verward in takken, waar nog enkle weerstand bieden aan 't vuurgefonkel, al te dwaas getart,

want dra zijn ze, uitgerafeld en ontbonden,

in klare lucht tot ijdelheid verzwonden.

Nu stroomde uit gouden klove een stralenvloed en 't bosch ging heel in laaien luister op; in 't braamhout kraakte een brand, die tot den top der boomen joeg en zijpte, in rossen gloed,

heen door de stammenreien tot een vlam te zamen om dien voorsten beukenstam.

Sluiten