Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In hun kring maakte Irene met haar slanke gestalte, schitterende blanke gelaatskleur, gouden harenen donker blauwe op 't eerste gezicht zwarte oogen, haar eenvoudig maar gratieus toilet den indruk van een paradijsvogel tusschen grijze duiven, van een kostbare serrebioem tusschen kleurige pioenrozen.

Paul zeide weinig, maar hij kon zijn oogen niet van haar afwenden ; voor hem was zij de poëzie, de schoonheid, de geur van het leven. Hij kon aan een toekomst zonder haar niet anders denken dan als een dag zonder zonneschijn, aan een tuin zonder bloemen, aan een nacht zonder sterren. Zonder dat hij t zich wilde bekennen, voelde hij zich onaangenaam getroffen door Irene's opgewondenheid over de nieuwe huurders van

het Hoefijzer.

Spoedig werd er over heen gepraat. Paul vertelde van zijn patienten, van studentengrappen en Irene lachte vroolijk en kinderlijk mede, tot zij eensklaps opsprong.

„O hemel, al half tien, men vergeet hier tijd en uur, ik moet mij haasten anders doet Trui het nachtslot op de deur."

„Hoe is 't met haar humeur?" vroeg mevrouw

lachend.

„O de laatste dagen is 't weer bar! Maar ik heb hoop dat het wat slijten zal. Verbeeld u mevrouw, ik heb een muts voor haar gemaakt met groote vuurroode strikken. Tante vindt dat zij veel te ijdel wordt en heelt er haar een flinke strafpredikatie over gegeven en toen begrijpt u de rest... maar nu is 't al lief wat er aan zit voor mij 1 Kom, ik moet weg! Morgen zullen wij met de bouquetten beginnen, Net!"

Sluiten