Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was een heerlijke Augustus-avond. Zij liep langs den Boschkant, waar de duistere boomen van het bosch in rozengloed zich tegen de zuivere lucht af teekenden. Zij zag het groene gras nog frisch van een malsche regenbui, die er dien middag op geivallen was, in de verte een bruine beuk met zijn granaatkleurig loof, alles even kalm, even vredig en toch op straat de beweging van een hsTagschen zomeravond, niet de sombere stilte van Warnsloo, welke haar steeds als lood op het hart viel.

„Ik zal een zonnigen, helderen trouwdag hebben," dacht zij vol blijdschap, „de hemel is met mij."

Toen voelde zij een pijnlijken steek in haar borst.

,,De heonel ?"

Zij had immers afgedaan met den hemel; zij had de aarde en haar geluk vrijwillig verkozen boven den hemel en toen overviel ha&r een droevig gevoel vol pijnlijke eenzaamheid, zij trachtte aan Rene te denken, voortaan haar alles, 't baatte niet.

Zij stond juist voor een roomsche kerk, de deur stond open, even aarzelde zij; in zoo lang had zij den drempel eener kerk niet overschreden maar toch! Het was nu misschien voor het laatst en plots ontwaakte in haar een hartstochtelijk en onweerstaanbaar verlangen zich weer eens te voelen als van ouds, als een gehoorzaam, geloovig kind, dat zich in een kerk, waar dan ook in het huis haars Vaders weet.

Zij ging snel naar binnen; buiten was de schemering reeds gevallen, hier was het zoo goed als donker.

Zij onderscheidde slechts flauw de omtrekken der altaren, de schafluwen der beelden, een vage geur van bloemen en wierook omgaf haar. Er was zeker

Sluiten