Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat Réné voor zijn jonge vrouw voelde was een aan aanbidding grenzende liefde. Zij was zijn alles; hij noemde) haar de schitterende ster, die voor hem opgegaan was in het duister woud van zijn bestaan, zijn liefde, zijn licht, zijn leven.

Haar minste gedachte, haar geringste wensch werd door hem vervuld; niets was te kostbaar, te hoog voor zijn afgod, zooals hij haar schertsend noemde, zijn Peri, die voor hein het paradijs verlaten had om het lot van den aardschen balling te deelen.

En Irene genoot in zijn liefde, welke de hare, hoe sterk ook, nog in kracht overtrof; hij had haar lief zooals een heiden zijn fetisch bemint, en zij kon in hem toch niets anders zien dan den mensch; hoe meer hij onder den ban kwam van zijn hartstochtelijke vereering, hoe meer zij zich zelf op een voetstuk boven hem verheven voelde. Zij kon, al wilde zij ook, in hem geen godheid zien, zooals hij wenschte; zij had alles wat zij droomde, alles wat zij verlangde, haar dagen gingen voorbij als eerw langen dag zonder nacht, zonder wolkep, zonder regen, als een droom vol glans en glorie, ajs een eindeloozen zegetocht tusschen rozen en leliën, en toch... toch huiverde zij soms en vroeg zich af, waarom haar hart zoo ledig, haar ziel zoo onvoldaan bleef.

Was het niet ondankbaar, niet dwaas, dat zij soms met weemoedig verlangen kon terug denken aan Warnsloo en zijn sombere, regenachtige dagen, aan de gezellige huiskamer van de Rovincks, ja zelfs aan het halfkoude interieur van tante Emma ? 't Waren grillen niets anders!

Dat God's wijding aan haar huwelijk ontbrak, dat

Sluiten