Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In onzen jongenstijd waagden wij er ons in.

In sommige gedeelten, zelfs daar waar het ruwste volk woonde en de eet-, Icost-, drink- en danshuizen waren. Hoe moedig ook, waren we toch altijd weer wat blij als we er uit en weer op den Burgwal waren en daar licht en zon zagen. Wij kenden verhalen van menschen, die in deze stegen gelokt werden en er nooit weeruitkwamen. Men vertelde ons van gruwelijke misdaden, die er gepleegd werden en die de politie nooit achterhalen kon. Wij jongens wisten wel dat de politie zich nooit in de zijsloppen waagde. Eens had een diender — zoo heette vroeger de agent van politie — zich er gewaagd, doch van dien diender had men nooit meer iets gehoord.

Op onzen Burgwal liepen van den kant van de Slijpsteenen (Prins Hendrikkade) vele sombere stegen uit. Wat verder op lag „het Kolkje" en „de Zeedijk", waar het 's avonds en 's nachts een vechten en tieren was. Waar de huizen in geheimzinnige bochten in het water stonden. Tegenover den achterkant dier huizen lag de Oude Zijds Achterburgwal met huizen van meer dan driehonderd jaar oud en pakhuizen, zoo diep en donker dat menigeen er niet met ons in durfde. Het geheimzinnigste was onze Burgwal voorbij het Oudekerksplein. Men kan wel zeggen dat van de Nauwe Halsteeg, — thans Damstraat — tot aan het Oudekerksplein het net van stegen, een waar doolhof was. Togen wij de Dolle Bagijnen-steeg en de Trompettersteeg bij het Oudekerksplein in dan en kwamen wij na allerlei omdolingen en steeds door stegen en enge gangen, onder de palen der huizen door, in de Roetsteeg, niet ver van den Vijgendam uit. Wanneer daar een dief of misdadiger zich verschool, kon de politie hem in het warnet van stegen onmogelijk weer vinden. In de Roost of Ravot-

Sluiten