Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat ik met Hein nog wat had gepraat en hem nog een fiksche boterham had gegeven, kwam het er uit dat hij ons voorgelogen had.

De jongens sliepen 's nachts in een loods aan het einde van de stille zijde van den Overtoom, die toen nog niet gedempt was.

Die loods was een bergplaats voor stroo en paardenmest. Overdag werd de mest door de mestboeren, bij de stalhouders of eigen-stallen opgehaald, en in schuitjes daarheen gebracht.

Een van de jongeheeren-boeven klom dan door het dak naar binnen, maakte de deur open en liet zijn makkers binnen.

Toen Hein zoo alles opgebiecht had, beraadslaagde ik met de rechercheurs en er werd natuurlijk aanstonds een plan de campagne opgemaakt. Wij besloten dienzelfden nacht er nog op uit te trekken en Hein als gids mede te nemen.

Nauwelijks was het donker of wij gingen op weg. Een rechercheur had Hein aan een touw vast, zooals een berenleider een beer aan den ketting leidt. Wij waren met stokken gewapend, daar wij wisten, dat die beruchte jongmaatjes tot alles in staat waren. Ook waren wij van lantaarns voorzien.

t Had hard gevroren en wij konden de loods dus gemakkelijk over het ijs bereiken. Eerst omsingelden wij de loods, zoodat niemand kon ontsnappen en tilden toen een rechercheur op, die ook door het dak naar binnen ging om de deur open te maken.

Toen de deur opendraaide, gingen wij met de lantaarns vooruit, naar binnen, 't Was er zoo warm en het stroo en de mest verspreidden zoo'n akelig broeierige lucht dat wij

Sluiten