Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat zag hij er uit! Men behoefde hem niet te vragen, wat er aan scheelde. De kerkhofroosjes bloeiden op zijne wangen; de verraderlijke tering had hem aangegrepen.

Ik had te doen met een open karakter. Het was hem eene behoefte mij te vertellen, dat hij zulk een zondaar was, en zoo ongeloovig was geworden. „Maar — zoo voegde hij er aan toe — hoe kon het anders; toen ik jong was, kwam bij ons een dominéé in huis, die spotte met alle geloof en die heeft ook mij geleerd, daarmede te spotten. Thans zie ik, waar mij dat heengevoerd heeft."

Wat had ik medelijden met dien armen teringlijder, thans in eene cel, met een geestelijk en zedelijk verwoest leven achter zich, en wiens leven straks zou eindigen in den dood.

Maar ik was ook over hem verblijd.

Er is immers blijdschap in den hemel bij de engelen voor Gods aangezicht over een' zondaar, die zich bekeert, en zou dan ook mijn hart niet jubelen bij de gedachte, dat deze man gered is als een brandhout uit het vuur?

Hij durfde niet zeggen, dat hij verzekerd was van zijne behoudenis, maar hij zocht vrede door het bloed des kruises, en, God lof! het staat er zoo duidelijk: die Mij zoeken, zullen Mij vinden.

Ik bad met hem.

Ik bad uit de volheid van mijn hart. — Hij weende. Hij weende, zooals alleen een kind kan weenen, dat weet kwaad gedaan te hebben, maar daarover ach, zooveel berouw heeft.

Vele malen heb ik hem bezocht. Telkens scheen hij mij eene vrucht, die rijper werd voor den hemel.

Hij ging heen in vrede.

Heerlijk einde, na zulk een treurig leven.

Sluiten