Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII.

De Straf een Zegen.

De man, dien we thans bezoeken, is geen luiaard en geen bedelaar. In hem ontmoeten wij een eigenaardig type; een palingvisscher, een man met gezond verstand, maar totaal ongeleerd; hij kan lezen noch schrijven; redeneeren doet hij echter zeer leuk.

Een beroepsmisdadiger is hij volstrekt niet; alleen schijnt nu en dan het juiste begrip van mijn en dijn ietwat bij hem verduisterd te zijn.

Zoo was het ook nu weer gegaan. Hij was thuisgekomen met iets, dat hij niet gevonden en niet gekregen en ook niet gekocht had, maar hij had het „op den weg zien liggen, en omdat hij het daar minder goed vertrouwd vond, had hij het maar medegenomen naar zijn huis, om het later bij de politie te brengen". Hij stelde echter uit van den eenen dag tot den anderen, tot eindelijk de politie zelf achter het zaakje gekomen was, en toen niet meer wachtte op bezorging, maar het zelf ging halen, en hem tegelijk medenam.

En nu had de rechter hem geruimen tijd gegeven om in stilte te peinzen over dit moeielijk begrip van „mijn en dijn".

Dien tijd had hij — het moet tot zijn eer gezegd — uitnemend besteed. Niet alleen om te denken over genoemd begrip, maar ook om door hard werken een mooi uitgaanskasje te maken, want „nu zal er heel wat moeten gebeuren, eer u Van Bongen weer hier ziet". Maar bovendien deed hij al wat mogelijk was. om zich te oefenen in lezen en schrijven. Zelden hebben de onderwijzers in de strafgevangenis van een leerling zooveel genoegen beleefd als van dezen man.

Hij kreeg een leesboekje met afbeeldingen. Daaruit wijs te worden was zijn liefste werk. Als hij maar een oogenblikje vrij had, was het boekje in zijne hand

Sluiten