Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIII.

Een oude kennis.

De man, dien wij nu bezoeken, is weer een preventief. Een moordenaar.

Zijne misdaad is afschuwelijk en zijn val — maatschappelijk en zedelijk — ontzachelijk diep.

Stel u voor een man in den vollen bloei van zijn leven; drager van een dubbelen naam; zoon van achtenswaardige ouders; en met eene opvoeding, waarop hij trotsch mocht zijn.

Als jongelui hadden wij veel met elkander omgegaan en steeds was zijn gedrag uiterst correct.

Op twintigjarigen leeftijd verloren wij elkander uit het oog. Ieder ging zijn eigen weg door 't maatschappelijk leven.

Maar ruim vijftien jaren later, voor mijn bezoek in de strafgevangenis komende en mijn rapport van de ingekomenen inziende, las ik tot mijne groote ontroering den naam van den vriend mijner jongelingsjaren.

Maar was deze naam wel van hem. Kon er geen

verschil bestaan in de voorletters ik bracht

hem geen bezoek, maar ging tot den adjunct-directeur en vroeg Z.Ed. of hij 15 — dat was zijn nummer — eens voor mij wilde bezoeken en — zonder over mijn persoon of naam te spreken — informeeren of hij bedoelde persoon was.

Alles kwam precies uit en nu mocht een bezoek aan hem, door mij niet achterwege blijven.

Ik ging tot hem, maar zorgvuldig trachtte ik voor hem te verbergen, wat er in mijn binnenste omging.

Wat was hij in die vijftien jaren veranderd. Toen een jonge man met een frisch blozend gezicht, thans een krachtig gebouwd man met lange gitzwarte knevel en baard, donkere oogen, kortom een prachtige figuur mtór een moordenaar!

Sluiten