Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groot gezin; een man, die zich misschien veel had kunnen voorstellen, maar zeker nooit, dat hij nog eens als een gevangene zou worden ingesloten ineenecel, en dat hij in eene strafinrichting met eene kap voor het gelaat ter kerke zou gaan.

Toch is hem dat overkomen.

Het was natuurlijk niet om zijn goeddoen.

De man had veel tegenspoed. Was hij maarzoo verstandig geweest om niette luisteren naar verkeerde raadgevingen, en had hij maar eenig besef gehad, dat hij met het opvolgen van dien als 't ware opgedrongen raad, eene strafrechterlijke overtreding pleegde, waardoor hij duchtig kennis zou maken met de heeren van de rechtbank, dan was er niets gebeurd. Maar evenals zoovele eenvoudige boerenmenschen, besefte hij niet, dat hij deed wat hij niet mocht doen. Zoo was hij gekomen tot oneerlijke handelingen en die hadden hem voor den stafrechter gebracht. Deze man droeg eene dubbele straf, want behalve den tijd in de cel doorgebracht, was hij eenigen tijd preventief geweest. Dit is, vooral voor iemand, die moreel niet totaal weggezonken is, inderdaad eene zware straf. Ik hoor het hem nog zeggen: Men kan beter „bie de verkens" zitten dan in gemeenschap. Dit klopte met wat mij eens een meisje zeide, dat ook preventief gezeten had: Al het zoodje, dat uit de maatschappij wordt weggedaan om haar beter te maken, wordt déi&r (in gemeenschap) nog slechter. Wat er nog goed in is, wordt er uitgevloekt, en dat is eene straf

bij de straf. . ....

Zoo was het ook voor dezen man — eene stral bij zijne straf. Overigens was hij niet ontevreden. Het eten vond hij goed, de ligging was goed, de directeur en de bewaarders waren goed, en het werk was goed, maar, en dit was het slot van heel zijne redeneering, bij al het goede was er niets, dat deugde.

Deze man tobde ontzaglijk over zijne vrouw en kinderen. De gedachte, dat hij 't hier betrekkelijk

Sluiten