Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets te gebruiken, maar op een gegeven oogenblik was de verzoeking hem weer te sterk, en dan was het weer mis.

Zoo was het ook nu gegaan. Arie was in Vlaardingen binnengekomen, was daar iets gaan gebruiken; dat iets was nog al van beteekenis en in een half of driekwart dronken toestand had hij zich schuldig gemaakt aan diefstal. Al spoedig was het uitgekomen, dat Arie de dader was en de rechtbank gaf hem daarvoor vier maanden gevangenisstraf.

Toen was Leiden in last. Jane wilde nog trachten haar man uit de gevangenis te houden; zij verkocht daarvoor haar „ijzer" (zilveren hoofdbeugel) en nog meer, om hem een „Avvekaat" te bezorgen, maar dat alles kon niet baten. De Advocaat ging voor hem in liooger beroep en trad voor hem op als pleitbezorger, maar het Hof ging accoord met de rechtbank; Arie behield zijne vier maanden, en Jane was haar ijzertje kwijt.

Hij was nauwelijks ingesloten, of de arme vrouw was bij mij. Zij had heel wat voor haar man te vragen, maar in niets kon en mocht ik haar ter wille zijn; alleen gaf ik haar de belofte, dat ik hem een keer meer zou bezoeken; maar b.v. beloven dat ik zou verzoeken, dat hem een baantje zou gegeven worden, wilde ik niet doen.

Ik bezocht hem zoo trouw mogelijk. Maar het was geen aangenaam bezoek. Arie was stug en blijkbaar onverschillig.

Toch liet ik hem niet los. Had ik veel tijd, dan bleef ik een oogenblik langer bij hem praten en, wanneer ik weinig tijd had, liep ik toch even bij hem in de cel om hem te groeten en eene hand te geven.

Arie bleef echter voor mij een gesloten boek. Eindelijk was zijn tijd van ontslag aanstaande en weer kwam de vrouw met de ietwat angstige vraag: Wat zou u denken van Arie. Zou hij berouw hebben? En, ik vond het hard, maar kon niet anders dan haar

Sluiten