Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was pijnlijk om te hooren hoe verbitterd deze jongen op zijne ouders, in 't bijzonder op zijne moeder, was. Toch was dit geen gevolg van onverschilligheid. Neen, hij was iemand, die behoefte had aan liefde. Dit bleek mij zoo duidelijk uit het antwoord, dat hij mij eens gaf op de vraag: Zoudt ge niet gaarne veel van uwe ouders houden? Toen kon hij zich niet meer bedwingen, maar de tranen sprongen hem in de oogen, en snikkende verzekerde hij mij: als mijne moeder maar goed voor mij was, zou vader niet zoo hard voor mij zijn, die is wel vreeselijk driftig, maar toch niet kwaad; ik zou zoo graag willen, dat zij ook maar een beetje van mij hield, ik ben toch ook haar kind 1 Arme jongen!

Ik heb hem gelukkig nooit weer in de cel terug gezien.

XLII.

Vier boerenjongens.

Met z'n vieren waren ze ingekomen. Zij waren van één dorp, van bijna denzelfden leeftijd en stand; zij hadden zich schuldig gemaakt aan éénzelfde misdrijf en eenerlei vonnis was hen opgelegd. Zij waren echter niet allen van één zelfde karakter.

Voor een betrekkelijk klein bagatel waren zij met den strafrechter in aanraking gekomen. Maar voor hen gold inderdaad het woord van Jacobus:Zie, een klein vuur, hoe grooten hoop hout het aansteekt.

Het kleine dorpje, waar bijna nooit iets bijzonders beleefd wordt, was op eens in rep en roer gebracht. De gemeente-veldwachter had gemeend, tegen een paar jongelui proces-verbaal te moeten opmaken, en dit was nu niet naar den zin van eenige andere jonge dorpelingen.

Sluiten