Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet naast zoo'n vervelend meubelstuk willen zitten". In geen van beide gevallen kan een zeer minutieus onderzoek ook maar een zweem van dergelijke hatelijkheden doen blijken.

Mina G., een zesjarig meisje van meer dan normale intelligentie, zegt op Zondagavond 17 Mei 1908 tot haar moeder, zonder dat er iets vooraf is gegaan, dat hiertoe aanleidinjg zou kunnen geven, dat mijnheer v. R. die bij hun op kamers woont, weer terug gaat naar Br., bij wie hij eertijds woonde. Op de vraag, of mijnheer v. R. haar dat gezegd heeft, antwoordt het kind, dat ze het niet van mijnheer v. R. weet. Als mevrouw G. hem vraagt naar zijn plannen in dezen, blijkt dat hij er geen oogenblik aan gedacht heeft. Den volgenden morgen wiordt het meisje door haar moeder ondervraagd, met de mededeeling, dat mijnheer v. R. boos is, omdat ze dat gezegd heeft en nu daarom weg wil gaan, zoodat dan de kamers onverhuurd zijn. Dan zegt het kind lachend, dat er niets van waar is en dat ze het zélvers maar heeft bedacht. Op dè vraag waarom ze dat heeft bedacht, weet ze geen antwoord te geven.

Een onderwijzer in het buitenland (België ?) werd voor eenige jaren beschuldigd, een leerling voor straf op een gloeiende kachel te hebben gezet. Maar bij de instructie bleek, dat in de school nooit een kachel was geweest.

Sommige leerlingen lezen in de school tot 20 malen toe een zelfde fout in een zin. Eerst door het verkeerd gelezen woord te laten spellen, kan men de fout corrigeeren.

Een hoogst intelligent meisje van 8 of 9 jaren herkende haar vader niet, toen hij eens zijn snor had laten afscheren.

Het lijdt geen twijfel, of in de alleroudste tijden moet wel zijn opgemerkt, hoezeer kinderen intellectueel bij volwassenen achterstaan en het is dus waarschijnlijk, waar al zeer vroeg verminderde of ontbrekende toerekenbaarheid voor het kind

Sluiten