Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de kinderlijke onschuld niet bestaat, althans met in den zin die er gewoonlijk aan wordt gehecht.

De opvoeding en in het bijzonder de schoolopvoeding heeft ten doel, het kind terwijl het opgroeit, tot een zedelijk mensch te maken, dat wil zeggen, een mensch die het goede .betracht, omdat het goed! is (bij godsdienstige menschen, omdat het Gods wil is), en het kwade na te laten, wijl het kwaad is. De wet op het lager onderwijs schrijft het aldus voor.

Het onderwijs wordt, onder het aanleeren van nuttige en gepaste kundigheden dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling der verstandelijke vermogens en de opleiding tot Christelij e

en maatschappelijke deugden."

Nu is verstandelijke ontwikkeling de basis van het zedelijk inzicht; de leerling moet kunnen onderscheiden, wat goed en wat kwaad is en in/vele gevallen ook het „waarom" leeren kennen. Daar de verstandelijke ontwikkeling, zooals de term ontwikkeling reeds aanduidt, langen tijd vordert, gaat ook de zedelijke ontwikkeling niet met sprongen vooruit Door evolutie na evolutie, van trap tot trap, bereikt de leerling de hoogte, waarop hij ten slotte met minder of meerder rech een zedelijk mensch wordt genoemd. Er is dus een tijd, het zedelijk inzicht bij het kind nog onontwikkeld is, he kind is op dien trap nog een zedelijk minderwaardig mensch. Nu doet niet ieder, kind op dien trap van ontwikkeling dingen, die we slecht noemen; maar als die dingen worden nagelaten is dat in het algemeen niet een bewijs van goede geaardheid, evenmin als het wel bedrijven van dingen, die wij bij volwassen menschen slecht zouden heeten, een bewijs is van zedelijke verdorvenheid. Die daden zijn het gevolg van moreele onvolkomenheid. Bij het beoordeelen van een of andere uiting of eenige daad van een kind heeft men eerst de intellectueele ontwikkeling te onderzoeken en na te gaan of de daad beantwoordt, aan die ontwikkeling. Bij positief verschil, dat is, als het kind verstandelijk zoover is, dat het de 'draagwijdte en de gevolgen van zijn daad kan overzien, moet men die daad goed of slecht noemen, naar den

Sluiten