Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ervan is hem zelf' vreemd en onbekend. Causaliteit bestaat volgens hem in bloote opeenvolging van wezens of leiten, zonder dat van onderlinge afhankelijkheid sprake kan wezen. Wij zien veranderingen in of om de dingen plaatsgrijpen, de eene komt. na de andere, zoodat we ten slotte een heele reeks, een aaneenschakeling van verschillende mutaties kunnen vormen, ziedaar de cansaliteitswet van onzen filozoof; ontbreekt echter opeenvolging, wordt de rij op een of andere wijze verstoort!, uit haar verband gerukt, dan vervalt terstond alle oorzakelijk werken. Dal wij het met dergelijke omschrijving niet ver brengen, waar het geldt liet innerlijke wezen der dingen te bepalen, ligt voor de hand. Wij behoeven zelfs niet eens in het oog te houden, dat in de opinie van Schopenhauer het „Kausalgesetz" niet meer is dan een vorm a priori, iets zuiver subjectiefs, dal wij naai' believen op de uitwendige dingen toepassen, ook dan nog zullen wij gemakkelijk tot de overtuiging komen, dat een toevallige of wellicht willekeurige aaneenschakeling van veranderingen den uaam „Causa" niet verdient en derhalve ook, dal zij ons geen stap nader brengt tot de kennis der wereld buiten ons. Willen wij dit doel bereiken, dan dienen wij aan Ie nemen, dat hetgeen ons omgeeft op ons inwerkt, in ons bet aanzijn geeft aan iels, dal in bet zijn van de buitenwereld afhangt. „Wer behauptet, schrijft P. Pescb, die Natur driinge mis, dasjenige für walir und wirklich zu balten, was wir sahen und horten, obgleich es doch eigentlich nur ein Product unserer Subjectiviteit ware, der beraubt sicb selbst der Sehkraft mit der er überhaupt noch etwas objectiv Wirkliclies wahrneinen könnte. Oder wer bürgt dein Physiker dalï'ir, dass nicht die Beweguug der Sterne oder das Kallen des Steiues ebenso uur ein subjectiver Erkeimtnismodus sein soll wie Licht iiikI Harte" ') — Schopenhauer had zeker van de voorstelling lol de werkelijke wereld kunnen komen, indien hij slechts het „Kausalitiitsgesetz" in zijn ware beteekenis had aanvaard. Maar dan ook had hij moeten concludeeren, dat hel niet waar is, wat Kant en in navolging van Kant hij zelf leert „die Kmplindung isl reine Seelenti'itigkeit". Dan was hem misschien hel „Ding an sich" niet zoo ondoorgrondelijk en ongenaakbaar voorgekomen, als de transcendentalisten zich zelve

') Vgl. P. Pesch. Die grossen Weltratsel. 3 Aufl. bd. 1 pag. 490.

Sluiten