Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tevergeefs, wijl er geen oog meer is, «lat «lil waarneem . Plaatsen we 1111 een kennend wezen op de aarde, dan bestaat deze (de aarde) „innerhalb desselben" (het kennend wezen) genau ebenso, wie sie vorher ausserhalb war". Rij «Ie eerste wereld is dus een tweede gevoegd, welke ofschoon van haar voorgangster volkomen gescheiden, haar toch tot op een haartje gelijkt, terwijl zij nog de kennis van de onbegrensdheid der ruimte daarbuiten voor beeft en de doelmatigheid aller verhoudingen, welke in haar liggen besloten, en wellicht nog niet verwezenlijkt werden, van tevoren nauwkeurig weet aan te wijzen. Dit alles nu blijkt bij nadere beschouwing onbestaanbaar en voert ons tot «le overtuiging, dat „jene absolut objective Welt ausserhalb des Kopte .... eben keine andere war als schon die zweite, die subjectiv erkannte, die Welt der \ orstellung" x) — Schopenhatier beeft zich zeil altijd beschouwd als een man van buitengewoon lalent, als een genie, als een man, die op anderen met minachting meende te mogen neerzien, hij verbeeldde zich een reus tegenover lilliputters. Rijde ••roepeering nu van boven aangehaalde stellingen, welkt ^001 logische redeneeringen moeten doorgaan, heeft hi j ongetwijfeld zijn groote geestesgaven op een harde proel' gesteld. Waarlijk niet weinig scherpzinnigheid wordt er vereischt om uit dergelij e praeuiissen een conclusie ('.») te halen, als hij er uit laat volgen. We willen onzen denker gaarne een diploma van bekwaamheid uitreiken, maar rneenen toch te mogen bemerken, dat het juist geen blijk geeft van ernstig denken, zoo men bet werkelijk objectief-zijn van een wezen en bet gekend-zijn van datzelfde wezen als met elkander lijnrecht in strijd en onvereemgbaar brandmerkt. Schopenhatier gaat overigens uil van een valsclie veronderstelling, of liever hij stelt als bewezen voorop, wat juist de kwestie is. De reëele orde moet volgens hem noodzakelijk afhangen van onze kennis. Op dezen grondslag rust zijn filozolisch gebouw, dat bestaat uit aan elkander geregen volzinnen, welke eiken ouderlingen band missen „Dass wir so tief eingesenkt sind in Zeit, llaum, Kausalitat und den ganzen darauf beruhenden gesetzmiissigen Hergang der Erfahrung, dass wir (ja sogar die Th ie re) darin so vollkonimen /.n Hause sind, und uns von Anfang an darin zurecht zu finden wissen —

') Vgl. Werke bd. 3 bladz. 6 en vlg.

Sluiten