Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenheid heeft de ware veelheid weggenomen. h,r is geen harmonie meer, maar ééntonigheid. — We wezen er reeds op, het pantheisme staat op materialistisehen grondslag, wordt de materia sempiterna weggenomen, dan stort het geheele monistische gebouw ineen. De zich zelf ontwikkelende stof is, om een pleonasme te gebruiken, het monistische pantheisme. — Doch Schopenhauer begaat nog een derde fout en wel bij zijn toepassen „nach Analogie" van de verkregen kennis op de zichtbare reëele wereld. . . . Van zijn verkeerde redeneering op dit punt kregen wij reeds een staaltje te zien, waar sprake was over de werkingen van ons eigen lichaam; omdat, zegt Schopenhauer daar, handelingen, welke niet van onzen wil afhangen, geschieden met behulp derzelfde zenuwen en spieren, als die, welke op bevel van den wil plaats hebben, daarom moeten ook zij „Willensakten" zijn. Niet anders, maar geheel in overeenstemming met de gewraakte argumentatie is thans zijn bewijzen „nach Analogie". Zoolang Schopenhauer zich beperkt tot den mensch, en in alle menschen hetzelfde wezen, dezelfde natuur „secundum speciem" aanschouwt, omdat hij in zijn ïnedemenschen dezelfde verschijnselen, dezelfde handelingen heeft waargenomen, die hij ook in zichzelven bespeurde, is zijn redeneering zeer juist. Schopenhauer blijft echter hierbij niet staan. Hij brengt op de dieren, de planten, ja zelfs, op de anorganische natuur alles over, wat hij wezenlijks meende te vinden in zijn eigen „ik". . . Wij zullen ieder punt afzonderlijk behandelen en zien, wat de wil is in zichzelven, en vervolgens, hoe hij zich vei toont in de wezens, om daaruit te besluiten, of Schopenhauer recht heert de zichtbare wereld met den naam „Wille" te betitelen „nach Analogie" van zijn „ik".

Wat Kant „Ding an sich" noemde, is bij Schopenhauer Wille", welken wij wel nooit „vollkommen seinem Wesen nach" zullen kunnen kennen; maar waarover we toch ook niet heelemaal in 't onzekere, in 't duister verkeeren.

Vooreerst valt de ,,A\ ille als zoodanig niet ondei de kenvormen, waaronder de verschijnselen door ons gekend worden, zelfs de meest algemeene kenvorm : „object en subject" kan niet op hem worden toegepast. Ook is de wil niet beperkt door

Sch. 5

Sluiten