Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschouwd in hare algemeenheid, in abstracto, en den vorm, waaronder zij in de bijzondere gevallen zich voordoet, heet: natuurwet. De wil zelf verschijnt in deze reeks van wezens, in de geheele anorganische natuur als „blinder Drang" als „finsteres dumpfes Treiben." Daarom hebben we hier wel de zwakste objectivatie, maar toch steeds nog „Wille," want „im Anschiessen des Krystalls sehen wireinen Versuch zurn Leben." 't Is dan ook „ein wesentlicher Punkt meiner Lehre" in de levenlooze natuur den wil te zien, ofschoon wegens volkomen subjectiviteit der lichamen zelfs niet. het geringste teeken van bewustzijn bij hen valt waar te nemen 1). —. Meer krijgen we van Schopenhauer omtrent de levenlooze schepping niet te hooren. We kunnen echter ook ruimschoots tevreden zijn met dit weinige. In de anorganische lichamen, zegt hij, nemen wij handelingen waar en werkingen, welke wij ook aantreffen in ons eigen lichaam. Derhalve is hun wezen „Wille".

Vooreerst zij opgemerkt, dat wat Schopenhauer in de wezens dezer laagste soort als handeling gelieft aan te duiden, niet in den eigenlijken zin handelingen kunnen genoemd worden, behoorend tot het praedicamentum actionis. Aristoteles en zijn volgelingen zouden alle veeleer gerangschikt hebben onder het praedicamentum qualitatis. Doch toegegeven, dat inderdaad van wezenlijke handelingen en niet van eigenschappen moet worden gesproken, dan kunnen we nog niet besluiten dat het constitutivum der dingen de wil is, hoewel wij dezelfde werkingen terugvinden in ons eigen bestaan, waarvan de wil niet kan worden uitgesloten. Het onderscheid is te groot. Wie naar dergelijke analogie en overeenkomst in de werkingen zou trachten anderen te overtuigen, dat het wezen van den mensch gelijk is aan dat van een steen, van water of lucht, zou spoedig naar het „Tollenhaus" worden verwezen — Noemt ^Schopenhauer de kristallisatie „einen Versuch zum Leben,' dan kunnen wij in zooverre met hem accoord gaan als onder deze uitdrukking verstaan wordt, dat de kristallen zeer zeker het leven het meest nabij komen, maar niet, alsof in deze lichamen reeds een levensbeginsel lag opgesloten. Het toenemen der kristallen heeft niet plaats door inwendigen groei, maar slechts door aanwas van buiten. Ook stammen

') Vgl. t. a. p. bd. 3 bldz, 335 vlg. en bd. 4 bldz. 76.

Sluiten