Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlakaf te ontkennen. Ons eigen bewustzijn treedt hier op als rechter. Daarbij komt nog, dat de wil als zoodanig „bewusstlos" is, wijl het „Bewusstsein bedingt ist durch den Intellekt"; zulk een wil ten koste van wat ook boven al het overige verhellen, durft zelfs Schopenhauer niet aan. Het kan ons dus allerminst verwonderen, zoo hij, in plaats van «le levenssappen aan het gehate woekerplantje te onttrekken, het der verdorring prijs te geven of met wortel en al uit te roeien, er zijn welbehagen in vindt, dat het welig tiert. De oude stam toont weer levenskracht „die grössten intellektuellen F.ihigkeiten finden sich nun bei heftigem leidenschatlichen Willen....." *) Schopenhauer schenkt zijn vijand het leven, om, terwijl hij dezen vernedert, zijn afgod tot hooger heerlijkheid te doen stijgen. Wij zagen het reeds herhaalde malen en nog dikwijls zullen wij er ons van kunnen overtuigen; 't is bij Schopenhauer alles parti pris, hij kent slechts willekeur, maar geen objectief beschouwen, geen grondig redeneeren op feiten, op ondervinding, op ernstige bewijsvoeringen gebaseerd, zelfs waarschijnlijke hypothesen hebben voor hem geen waarde, wel echter het paradoxale, het nietsbeteekenende, het belachelijke. En toch — o teeken des tijds — is deze pessimist, die iedereen van zich afstiet en niemand voor zich innam, die zijn vijanden en tegenstanders met beleedigingen overlaadde, hun slechts

vuil en slijk naai' het hoofd wierp, is deze zwartgallige de

man van den dag.

Wij zullen zien, hoe Schopenhauer zijn stelling bewijst of althans verklaart. Gelijk de waarneming der buitenwereld, zoo zegt hij, een kennend subject en een gekend object vordert, zoo ook veronderstelt ons zelfbewustzijn — onze zelfkennis een kennend wezen en een, dat gekend wordt; zoodat een bewustzijn „welches durch und durch seine Intelligenz ware" onmogelijk is. Daarenboven kan het kennend wezen als zoodanig niet gekend worden, wijl het dan het „Erkannte eines andern Erkennenden ware". En in ons zelfbewustzijn is geen ander object aanwezig, dat gekend wordt, dan juist de wil, waartoe al ons streven, ons lief en leed, ons beminnen en ons

') Vgl. t. a. p., bd. 3, bldz. 227.

Sluiten