Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den wil; wij geven Schopenhauer beide cadeau, wijl wij ons heelemaal niet competent achten een oordeel te vellen.

Nog één puntje van Schopenhauers argument vraagt onze aandacht. Hij heeft den schijn aangenomen af te willen wijken van het sensisme, want hij beweert, dat wij eigenlijk moeten vasthouden aan een zedelijkheids-beginsel, dat boven de natuur verheven is. — Wij hebben gezegd „hij beweert, maar betelen juister ware wellicht, dat hij spot met een moraliteitsprinciep van de natuur onafhankelijk. Schopenhauer kan niet spreken over zedelijkheid en als hij het desondanks doet, dan is het met opgepropt gemoed, met kwalijk verbeten woede en met een honenden grijnslach op de lippen, wijl er nog zoovelen zijn, die geen gehoor geven aan zijn dwaze leerstellingen, die niet willen luisteren naar eene theorie, waaruit, evenals uit die van den meester, alle begrip van zedelijkheid reeds lang verbannen is. 't Is hier de plaats niet op deze kwestie in te -•aan Wij willen slechts aanstippen, dat Schopenhauer zelfs het kwade ('?), het verkeerde (?) l) in den mensch beschouwt als een bewijs voor zijn stelling. Hoe dikwijls gebeurt het met, zegt hij, dat wij in ons fouten en gebreken ontdekken, die ons verstand betreurt en uitgeroeid wil zien en toch blijven zij voortbestaan'? De wil slaat dus een anderen weg in dan het verstand, hij toont zich den „Starkere, Unbedwingbare, Unveranderhche, Primitieve." Daarvandaan, dat de man, de grysaard den weg bewandelt, dien hij als knaap reeds insloeg. De wil is onveranderlijk.2) - Op het „video meliora" van het verstand laat, volgens Schopenhauer, de wil steeds met gebiedende noodzakelijkheid het „deteriora sequor' volgen. Aan dit leit is niets te veranderen. En waarom niet'? Omdat de wil van Schopenhauers systeem geen vrije wil is en ook geen \iije wil zijn kan. Verstandelijke voorlichting ontbreekt hem. „hine Funktion des Gehirns" kan den wil niet voor een keuze zetten. De wil is geen wil meer. We hebben slechts bestiale, natuurlijke neigingen, waaraan wij voldoen met dezelfde noodwendigheid als het redelooze dier. De sententie van Schopenhauer: „de wil strijdt met zichzelf, valt steeds weer in dezelfde fouten en gebreken, toont juist hierin zijn kracht en onveranderlijk-

') Eens te meer bewijst Schopenhauer, dat zijne ideeën niet onder woorden

kunnen gebracht worden.

') Vgl. t. a. p. bd. 3 bldz. 246 en vlg.

Sluiten