Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Büchner enz. Hij haalt de woorden van Schopenhauer zeil' aan: „Unwissenheit nnd Vorurtheil haben gegen die physiologische Betrachtungsweise die Anklage des Malerialismus erhoben, weil dieselbe, sich rein an die Erfahrnng haltend, die immaterielle Substanz, Seele, nicht kennt."1) Wij voor ons gelooven echter, dat liet antwoord op de hierbij door Frauenstiidt gestelde vraag: „ist das Malerialismus?" wel een volmondig „ja" mag wezen Schopenhauer kent niet alleen geen immateriëele zelfstandigheid, maar loochent zelfs vlakaf haar bestaan.

Wij weten thans, van welk standpunt uit Schopenhauer de wereld beschouwt, hoe hij over liaar filozofeert, maar mocht daaromtrent wellicht nog twijfel mogelijk wezen, dan behoeft men slechts even na te denken over den grond, dien Schopenhauer aangeeft, om verschil aan te nemen tusschen levende en levenlooze wezens: „Darstellung einer eigenen Idee, Objektitat des Willens." Hij kan niet ontkennen, dat de mensch iets meer is dan het redelooze dier,2) zijn eigen bewustzijn dringt zich naar voren, alles, wat hij dagelijks voor zijn oogen ziel gebeuren, de waarneming der handelingen, welke hij mensch en dier ziet verrichten, bewijst hem dit. Maar de waanzin maakt hem blind. Hij wil niet zien. Hij vormt zich dus een wereld naar eigen laatdunkenden zin; de alvermogende wil is a priori bestemd zich te objectiveeren in twee verschillende wezens: mensch en dier. Schopenhauer wil dil onderscheid behouden zoowel om — bittere ironie — de „Darstellung einer eigenen Idee" te bewaren als ook om zijn geheele systeem zoo nauw mogelijk aan de werkelijkheid aan te passen. En wellicht zal deze aanpassings-idee ook bij hem voor, toen hij de objectie over den waterval neerschreef.3) Of maakt niet de

') Vgl. bd. 1 Einl. des Herausgebers bldz. 78.

2) Ook bij Schopenhauer is dikwijls de natuur sterker dan de leer. Herhaaldelijk stelt hij den mensch gelijk of zelfs beneden het dier: Der Mensch ist im Grande ein wildes, entsetzliches Thier. Wir kennen es bloss im Zustande der Bandigung und Zahmung, welcher Civilisation helsst; daher erschreeken uns die gelegentlichen Ausbrüche seiner Natur... uit honderd „alten und neuen Berichten" kan iedereen zich vergewissen „dass der Mensch an Grausamkeit und Unerbittlichkeit keinem Tiger und keiner Hyane nachsteht" bd. 6 bldz. 226. Teekenend voor Schopenhauers wijsbegeerte is het, dat hij herhaaldelijk en met nadruk den mensch achterstelt bij den hond: „denn freilich, woran sollte man sich von der endlosen Verstellung, Falschheit und Heimtücke der Menschen erholen, wenn die Hunde nicht waren, in deren ehrliches Gesicht man ohne Misstrauen sc'iauen kann?"

3) Schopenhauer doet niet ongaarne aan plagiaat; hij toont zich zelfs zeer bedreven in die kunst en 't is niet altijd even gemakkelijk hem te betrappen.

Sluiten