Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onze onvergankelijkheid: ey« sijn -av to yeyovo?, xa>. ov, xa>, ETOjxevov." [sic] ')

Al had Schopenhauer zelf het niet uitdrukkelijk verklaard, we hadden reeds bij den eersten oogopslag gezien, dat hij ons een nieuw bewijs leverde van de waarlijk niet geringe kracht zijner verbeelding. Kras is het inderdaad, alleen uit het feit van mijn actueel bestaan mijn onsterflijkheid af te leiden en toch wordt dit waagstuk door onzen filozoof met glans volvoerd. Wel moet de vorm van tijd, welke, evenals zijn onafscheidelijke metgezel, de ruimte, door Kant en ook door Schopenhauer zelf steeds als zuiver subjectief werd voorgesteld, thans min of meer objectief worden getint, maar die goocheltoer is gauw gemaakt, waar het geldt „Ie besoin de la cause." Voeg daarbij nog een of ander axioma a la Schopenhauer, dal de mensch bij zijn verschijnen op de wereld in den tijd wordt opgenomen en geplaatst niet bij het begin, niet bij het einde, maar juist in het middelpunt, waarvandaan hij het verleden, het tegenwoordige en de toekomst kan overzien, en het bewijs van 's menschen onsterflijkheid is geleverd en volgt duidelijk uit zijn actueel bestaan. Jammer maai-, dat onze (ilozoof een beroep moet doen op ieders afzonderlijk herinneringsvermogen, op onze verbeelding, op ons bewustzijn. Bereikt men niet dien graad van bewustzijn, welke vereischt wordt om in te zien, dat men zich bevindt in het „nuric stans", in het centrum des tijds, heeft iemand niet kracht genoeg zich het verleden levendig voor den geest te roepen, is zijn verbeelding te zwak om het heden aan het verleden gelijkvormig Ie maken, dan zal voor zoo iemand het geheele bewijs van Schopenhauer niet de geringste waarde hebben. Het argument kan dus hoogstens gelden voor enkele bevoorrechten van het slag van Schopenhauer, die hun gezond verstand niet willen gebruiken bij het zoeken naar de waarheid, maar zich zeiven met bolle frasen tracbten diets te maken, dat het product hunner ziekelijke verbeelding de waarheid is.

Schopenhauer' wijkt ook hier weer geen duimbreed af van zijn eenmaal ingenomen pantheïstisch standpunt. De wil is één, onveranderlijk, niet onderworpen aan den vorm van tijd. Deze — de tijd — treft het „Ding an sich" niet. De wil staat buiten, boven

') Vgl. Werke bd. 3 bldz. 660, 561 en bd. 6 bldz. 288 en vlg.

Sluiten