Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebeuren, heeft plaats in alle andere wezens, welke slechts „Objektivation des Willens" zijn. „Ewiges Wenden, endloser Finss gehort zur Offenbarung des Wesens des W illens „Streben ist sein alleiniges Wesen, dem kein erreichtes Ziel ein Ende macht, das daher keiner endlichen Befnedigung fahig ist, sondern nur durch Hemmung aufgehalten werden kann, an sich aber ins Unendliche geht." ») Dit voortdurend rusteloos voortgedreven worden tot een onbereikbaar doel beduidt reeds bii de ruwe stof een begin van lijden. Streven naar iets komt voort uit gebrek, uit ontevredenheid met den tegenwoordigen toestand, is derhalve lijden. Bevrediging kan wellicht voor een oogenblik plaats vinden, duurzaam is zij nooit en steeds voelen wir den Anfangspunkt eines neuen Strebens." Zoo pinden wij dus reeds dadelijk in alle wezens van de laagste tot de hoogste, het liiden. De wil toch is aller dingen wezen en „der Wille (muss) an sich selber zehren, weil ausser ihm nichts da is und er ein hungriger Wille ist. Daher die Jagd, die Angst

und das Leiden.' _ .

Het is duidelijk, dat, waar geen kennis is, van ware smart

geen sprake kan wezen, wijl smart, hoewel alleen den wi treffend — zij bestaat in de „Hemmung, Hinderung, Durchkreuzung desselben" - toch steeds „von der Erkenntnis vergezeld moet gaan, maar het is niet minder helder en kla^r, dat bij vermeerdering van kennis ook het lijden toenee™ • qui auget scientiam, auget dolorem. Daarvandaan dat den mensch het zwaarste lot wacht, dat zijn leven dat „Pensum zum abarbeiten", inderdaad lijden is bij uitstek. )

Schopenhauer had zijn creatuur, den wil, ook wel een anderen werkkring kunnen geven dan dien van voortdurend aan zie zelf te knagen; het stond hem immers geheel en al vrij een wezen naar willekeur te fabriceeren. Doch iedere verandering of zwenking naar meer optimistische zijde zou zijn systeem minder subjectief hebben doen zijn. En dit moest Schopenhauer vermijden, wilde hij niet afbreuk doen aan de waarheid zijner theorie. Hij moest ons dus een wereld schenken, voUcomen gelijkvormig aan zijn eigen mikrokosinos. Zijn doel heelt y

ten volle bereikt. . .

Een wezen, dat in zich zelf volmaakt gelukkig is, meent

ï) VgTWerke bd. 2 bldz. 183. 195. 364. 393. 429.

j) Vgi. Werke bd. 6 bldz. 319 en vlg.

Sluiten