Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigen-ik. Wie volgens Schopenhauers getuigenis met de geestelijke dochter van Meester Eckhard zegt: „Herr. freuet Euch mit mir, ich bin Gott geworden?" Wie met den volmaakten (?) asceet durft jubelen: „dass er Gott ausser sich selbst nicht suche," zal toch wel moeilijk van opoffering ter wille van anderen blijk kunnen geven, maar door eigen waanzin verblind, alle eer en glorie slechts voor zich zeiven opeischen. — Volkomen in overeenstemming nu met zijn monistische beginselen is het ascetisme of beter het mysticisme van Schopenhauer; gelijk hij zegt, is dit alleen in staat tot eenige kennis van het bovenzinnelijke, het doel van 's menschen bestaan te brengen; jammer, dat het slechts „nur wenigen Begünstigten zu Teil wird."

Slechts aan weinige bevoorrechte zielen is het gegeven, zegt Schopenhauer, dezen hoogen graad van beschouwing te bereiken. Ook hij zelf kwam er niet toe, omdat hij zich niet wilde onthechten aan hetgeen de wereld genoegelijks biedt en misschien ook omdat hij geen geloof sloeg aan zijn eigen leer. Dit is verklaarbaar. Iedere poging door hem aangewend, een oplossing van het groote levensraadsel te geven, blijft zonder bevredigend resultaat. Dit werkt ontmoedigend en moet zelfs een pessimist als Schopenhauer zijn vertrouwen op zijn leer hebben doen wankelen.

Wellicht verklaart dit het feit, dat Schopenhauer, ofschoon hij beweert, dat theïsme en atheïsme dezelfde mystiek hebben, steeds herhaalt, dat zijne filozofie „als Verneinung des Willens zum Leben" eigenlijk zuiver christelijk is en hierin „seine tiefste Wahrheit, sein hoher Werth und erhabener Karakter liegt.' Hij schijnt steun te zoeken in het Christendom en daarom noemt hij „der atheïstische Philosoph," gelijk Herrig zegt, „sich selbst den Allerchristlichsten und hat hierzu das grösste Recht. Denn seine Ethik ist in vollkommenster Uebereinstimmung mit der des Christenthums." x) Een atheïst .... allerchristelijkst!

') Vgl. Herrig, Gesammelte Aufsatze über Schopenhauers Philosophie. Ed. Reclam bldz. 69.

Sluiten