Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laat staan dan, dat hij jegens vreemden ook Van geen barmhartigheid iets weten wil.

Doch — wat is thans uw wensch?

Eerste Landman.

Grootmachtig heer, Dat ge ons ten bloede toe gemarteld karspel, Ja, ook ons Landschap in bescherming neemt. Wat gij voor deze stad zijt, wees het ook Voor ons!

Rabenhaupt.

Het doet mij leed, dat niet terstond De macht, mij toevertrouwd, zich zoover uitstrekt, Keert echter naar uw dorp terug, verzekerd,

Dat 'k uw belangen voorstaan zal, waar 't put, En, kén 't gebeuren, ook uw wensch verhoor.

(De twee landlieden af.)

VIJFDE TOONEEL.

Rabenhaupt. — Gabbema.

G a b b e m a.

'k Heb innig meêlij met die arme drommels.

Is, tot verzachting van hun droevig lot,

Dan werkelijk niets te doen?

Rabenhaupt.

't Gaat mij als u,

Heer hopman! 'k Wenschte 't wel, doch 't faalt me aan

macht.

Was nu Haar Hoogheid maar tot hulp bereid. Met twee, drie escadrons waar 't heel geen kunst, Gansch Drenthe schoon te vegen van 't gespuis En d' armen boer te ontheffen van zijn druk.

Sluiten