Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Plaveit dat, din juist, meer, moeras en stroom Met ijzerharden vloer, — van zelf baant dan De weg zich overal, en allerzijds Genaakbaar ligt de vest, voor vriend en vijand.

Rabenhaupt.

Ook als Van Galen 'tijsbit openhoudt,

Bij wijs van geul zich sling'rende om de stad?

Van der Thijnen.

Och daarvoor weet ik raad, uw edelheid!

De troep, wien 't overromplingswerk betrouwd wordt.

Voer' draagbre bruggen mee, uit biezen of

Van and're lichte stof vervaardigd, — en

Maak dür een pad van over bit en geul.

Rabenhaupt.

En hoeveel mannen oordeelt gij toereikend, Om 't feit te wagen, met verwachting van Voorspoed'gen uitslag?

Van der Thijnen.

Met een kleine duizend Houd ik, voor mij, me van zoo'n uitslag zeker, —

Mits 't mannen zijn ook met een hart in 't lijf.

Rabenhaupt.

Met nog geen duizend?! Maar, dat 's véél te weinig!

Kent ge ook de strijdkracht, die weerkeerig Munster

In werking tégen u kan stellen? Is

Niet de overmacht bij hem? En staat daardoor

Als hij een uitval waagt en u omsingelt,

't Mislukken niet van heel het plan te vreezen?

Van der Thijnen.

Gij spreekt van Munsters strijdkracht, generaal; Wat 'k daarvan, en van meer nog, zeker weet,

In dit geschrift bracht ik 't met zorg bijeen.

Sluiten