Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE T00NEEL.

Devorigen.Van der Thijnen, Herman ondersteunende, die den rechterarm in een bandelier draagt.

Van E ij berge n, op Van der Thijnen toetredende:

Welkom, welkom, wakk're man! Dat is een dag uit duizenden, — niet waar?

Wie durfde reek'nen op .... neen, dat 's te veel! — Wie durfde droomen slechts van zoo'n victorie!

Van der Thijnen.

Dat is wel waar, heer overste; — 'k sta zelf Er van versteld. Wij zien 't; ons veldgeschrei Was profecie: God was met ons. — Zoo ooit,

Dan was Zijn hand hier zichtbaar, zonneklaar.

Van E ij bergen.

Dat zei 'k zoo aanstonds ook; maar — wien, naast God, Dankt deze stad haar blij verlossingsuur Wel 't allermeest, als u, heer Van der Thijnen!

Aan u de roem, de held van dezen dag Te zijn!

Van der Thijnen.

Och, spreek mij daarvan niet. Ik deed Niets meer, dan wat gij allen deedt, — gij allen,

Wie 't ook als mij een doren was in 't vleesch,

Dat, hier op eigen vaderlandschen grond,

Een vreemde potentaat de wet ons stelde:

Dat was mijn grief, gelijk het de uwe was.

Daar leed ik onder, zoo als gij ook leedt.

Daartegen kwam mij 't bloed in opstand; maar Niet feller, dan ook 't uwe aan 't gisten sloeg.

Dat gaf mij 't zwaard in handen, om met u Dien vreemd'ling weer te ontnemen, wat hij stal, — Hem leerend, hoe een volk, dat tachtig jaren In 't wapen tegen 't machtig Spanje stond,

Sluiten