Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nis hoofdstuk 20, par. 2 en hoofdstuk 11, par. 5.

Daarom kunnen wij niet erkennen, dat de wet, met betrekking tot het genadeverbond, de gelovige tot een regel is; behalve dat daar zijn genadige beloningen, welke allen vrijelijk beloofd zijn om Christus' wil, om hen aan te moedigen in de loop hunner gehoorzaamheid. Ook erkennen wij dat er voor de gelovigen zijn kastijdingen en het ongenoegen des Vaders, als zij niet wandelen in Zijn geboden. (Ps. 89 : 31, 32; 1 Cor. 11 : 31. 32; Luk. 1 : 20.) Deze zijn voor de gelovigen niet minder ontzagwekkende en krachtige wederhoudingen van de zonde dan het uitzicht op de vloek en de hel zouden zijn. Het zal, naar wij hopen, de eerw. commissie niet verdrieten te horen wat de uitnemende godgeleerde Perkins in weinige woorden hiervan zegt.

De tegenwerping is: ,,In het Evangelie komen beloften des levens voor op voorwaarde van gehoorzaamheid, zoals in Rom. 8 : 13. Indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven.

Hierop antwoordt hij: ,,De beloften des Evangelies zijn niet gedaan aan het werk, maar aan dengene die werkt; en dan wordt aan hem die belofte niet gedaan om het werk der doding, maar om Christus' wil, overeenkomstig het werk. Bijv. De belofte van te leven is niet verbonden aan het werk der doding, maar is gedaan aan hem die zijn vlees doodt; en ook dan niet om zijn doding, maar omdat hij in Christus is, en daarvan is de doding van zijn vlees een teken en blijk."

Wij houden dit, als de Protestantse leer, voor de waarheid. En de Protestantse godgeleerden, zoals in het bijzonder overal in de werken van Rutherford en Owen te zien is, zijn klaar en duidelijk in het leerstuk, dat de gelovigen geheel vrij zijn van de vloek der wet, van wege hun vereniging met Christus.

VRAAG 4.

Was aan de wet der zeden, vóórdat deze haar vorm van een verbond der werken ontving, reeds de bedreiging van de hel verbonden ?

Sluiten