Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit dit alles blijkt, dat er geen klemmende reden is te beweren: Indien de ongelovige onder de heerschappij van het werkverbond was, dan zou hij gelijktijdig onder twee tegengestelde verplichtingen staan, nl. hij zou volmaakte rechtvaardigheid moeten zoeken in zijn eigen persoon en tegelijkertijd in een borg.

Het is wel waar, dat de wet thans van ons eist dadelijke en lijdelijke gerechtigheid in onze eigen persoon en ons tevens verplicht om in Jezus Christus te geloven en ons aan Zijn gerechtigheid te onderwerpen, zoab Hij geopenbaard is in het Evangelie als de Heere Onze Gerechtigheid. Echter is het hier mee gelegen als met de plichten in vele andere gevallen: de wet eist deze beide zaken van ons niet als één geheel (in senso composito) maar deze beide zaken worden elk op zichzelf geëist (in senso diviso.)

De wet wil de betaling door een verantwoordelijke borg aanvaarden en goedkeuren, hoewel zij zelf geen borg verschaft. Zij is bereid ons aan te nemen, die niet in staat zijn zelf te voldoen, en wil ons vriendelijk, dankbaar en zonder uitstel aanvaarden, genoegen nemende met een voldoening van een andere soort, welke ons aangeboden wordt.

Maar zolang de zondaar niet overtuigd is van het vruchteloze van al het andere, en geen genoegen neemt met, gebruik maakt van, en pleit op deze gunst in zijn eigen belang, zolang zal de wet haar gerechte aanspraken handhaven en tegen de zondaar ijveren.

Hoewel de wet geen behagen heeft in een zondig schepsel vanwege zijn ongelovigheid, zo kan zij toch gemakkelijk toestemmen in het huweüjk met een andere echtgenoot, na een wettige echtscheiding en nadat de rekeningen vereffend zijn en algehele voldoening en herstel verschaft is voor al het onrecht en de beledigingen de eerste echtgenoot aangedaan. Maar als de zondaar van zulk een voorstel niet wil weten en zijn eerste echtgenoot aan de wet verbindt, dan is het niet te verwonderen, dat in zo'n geval de wet doorgaat om de zondaar te geven wat hij verdient.

Sluiten