Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet. Belachelijk, maar grootsch! Wij kunnen de meerderjarigheid van onzen oudsten zoon vieren. De primitief doet dat ook, maar hij meent, dat die „viering" den jongen man een nieuw leven geeft, in plaats van het oude, dat in den loop der kindsheid versleten is. De thans volwassen gewordene is „wedergeboren".

Het leven slijt het hardst bij den dood. Het slijt zóó geweldig, dat er niets van over schijnt te blijven. Maar de mensch legt zich ook daarbij niet neer. Ook de dood is hem een nieuwe geboorte, die hij door zijn magische riten kan bewerken. Voor ons is de dood, ook dan wanneer wij in een eeuwig leven gelooven, een absolute grens. Voor den primitief geenszins. De dood is een overgang, evenals de geboorte, de manbaarwording, het huwelijk. Het leven gaat door, mits men het helpt. Daartoe dienen de „vieringen", de riten en gebruiken. Het belangrijkste dier gebruiken is de begrafenis. Bij ons is een begrafenis een miserabele plechtigheid, omdat het alleen maar gaat om datgene, wat wij zoo oneerbiedig en smakeloos het „stoffelijk overschot" plegen te noemen, en om de daaraan verschuldigde „pieteit". In de primitieve levensbeschouwing gaat het om de herboorte van het leven. Wie volgens den juisten ritus begraven is, wordt herboren; wie dat voorrecht mist, niet. In het oude Aegypte was het uitvoerig begrafenisritueel niets dan één geweldige opwekking van den doode. Wie goed begraven is, leeft. De mensch

Sluiten