Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doet met deze voorstelling precies datgene, wat de mensch van de eerste structuur weigerde: hij legt zich bij een stuk van het gegeven leven neer, hij berust er in, dat zijn lichaam vergaat. Maar, als revanche, spreekt hij nu van een „ontzield" lichaam en schrijft aan de ziel, die, na den ondergang van het lichaam heet over te blijven, al die eigenschappen toe, die hij wat zijn lichaam betreft, heeft opgegeven; de voornaamste daarvan is blijvende duur, onsterfelijkheid. De ziel of geest is van goddelijken oorsprong en bezit eeuwig leven in zich zelf. Het lichaam is van aardschen oorsprong en wordt overgelaten aan de machten, die de aarde beheerschen. De ziel heeft hemelsche bestemming, het lichaam vindt zijn bestemming in het graf. De ziel blijft in het leven ook dan, wanneer het lichaam ondergaat, en dat leven is uit zijn aard goddelijk. De dood is geen voortzetting, zooals in de eerste structuur, maar evenmin een einde. Hij is veeleer een bevrijding. De ziel heeft vleugelen, en, nadat zij het aardsche stof van zich heeft afgeschud, aanvaardt zij de hemelreis, den tocht naar 'haar hemelsch vaderland. Het aardezware lichaam blijft achter en verteert, de luchtige ziel wiekt omhoog en vindt goddelijke zaligheid.

Wij herkennen deze structuurgemakkelijk.Want wij zijn met haar groot geworden. Zij is de bron van de populaire onsterfelijkheidsvoorstellingen, die in ons hedendaagsch christendom gangbaar zijn. In den jongsten tijd zijn vele predikanten

Sluiten