Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

accoord van overeenstemming was, werd weldra een oorzaak van twist en verwijdering. De Judaïsten brachten vreemd vu ar op den altaar des Heeren; zij stelden den voorrang van Israël en de onderhouding der Wet. Maar reeds was het Heidenchristelijke element in de gemeente te machtig.

En eindelijk het derde verbindingsmiddel tusschen de leden der Broederschap: eenzelfde appreciatie van den mensch, Toen het Christendom zijn intrede deed in de wereld, kwam het in botsing met twee colossale machten: de Grieksch-Romeinsche beschaving en de Joodsche religieuse trots. Bij de Romeinen had het individu als zoodanig geen waarde; de mensch als mensch was niets. Hij ontleende zijn beteekenis aan zijn verhouding tot den Staat; de eerbied, die hem toekwam, was geevenredigd aan de plaats, die hij in het Staatsleven innam. Alleen de burger had rechten. De vreemdeling, de vrouw, de slaaf golden voor wezens van lager orde. Mensch was alleen de Griek en Romein; de andere volken Avaren Barbaren. Deze waardebepaling ging van louter uitwendige gezichtspunten uit; van een taxatie naar zijn inwendig wezen, naar zijn karakter, zijn gezindheid, zijne persoonlijke deugden is bijna geen sprake. Het tegenbeeld van deze menschenverachting was de menschenvereering, zooals die aanvankelijk bescheiden wijsgeerig uitkwam in de stelling „de maat der dingen is de mensch", en later een brutale hoogte bereikte in de keizersvereering. Bij de Joden vinden wij hetzelfde maar in andere vormen. Ook zij verachtten de Heidenen, misschien nog dieper dan de Romein den Barbaar; alleen de Joden waren voorwerpen van het Goddelijk welbehagen; de andere volkeren waren „vaten des toorns". Ook bij hen een taxatie van het individu naar uitwendige gezichtspunten, met dit verschil echter, dat de maatstaf van beoordeel ing, overeenkomstig het theokratische ideaal des volks, meer religieus-ritueel dan staatsburgerlijk was, zich concentreerde in de verdienstelijkheid der werken, en dus berustte bij den mensch. Hoe laag de Pharizeër den mensch stelde — den mensch, om wiens hulde hij bedelde — leert ons de

Sluiten