Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«sociale vraagstukken van «ontucht en overbevol«king,» van den «arbeid en de armverzorging» achte onze Kerk niet «buiten zich. Zij vooral moet de zonde bestrijden, zij vooral «heeft de roeping van het betrekkelijk recht der lagere volks«klasse tegenover den tijdgeest te handhaven. Wat verdrukt «wordt, hebbe haar steun: de arme in haar een toevluchtsoord, <en voor rijk en arm saam worde zij weer de Engel des Vredes, «die èn van het misbruik èn van de utopiën onzer eeuw ons «met zachte hand terug leidt naar de ordening van Gods Woord.» Al liggen deze vraagstukken niet op het eigenlijk terrein der Kerk, iets wat later door hem in den breede werd aangetoond — zijn bedoeling met het wijzen op de roeping der Kerk was, gelijk van /,elf spreekt, om duidelijk te maken, dat de bediening des Woords volstrekt niet staat buiten het sociale en politieke leven, dat juist de Kerk het eerst en het best in staat is om het licht van Gods Woord te werpen op al die vraagstukken en zöè ook den geloovigen de taak aan te wijzen, die zij in het leven der gemeenschap met hun mede-menschen van andere levens-richting hebben te vervullen: het zout in de wereld, een licht op den kandelaar te wezen.

Merkwaardig was deze intree-rede om velerlei. De beslistheid, waarmede zij werd uitgesproken; de bezieling, die van den redenaar uitging — het bewees alles, dat hij thans, zij het na ernstigen strijd, zich volkomen bewust was geworden van zijn levenstaak, van den aard en den omvang van zijn arbeid voor de Kerk, niet het minst voor zijn land en volk. Want, wat Dr. Kuyper in deze rede even aanstipte, bleek jaren daarna en blijkt nog de hoofdinhoud van een program te zijn, waaraan hij zich stipt heeft gehouden. Men heeft hem, naar aanleiding van een min gelukkig woord, in het vuur van zijn spreken bij het politiek debat in de Tweede Kamer (Dec. 1901) ontglipt, verweten dat hij zijn «oude plunje» heeft weggeworpen, dat er eene verandering in hem was waar te nemen. Het kan intusschen moeielijk worden aangenomen, dat dit verwijt ooit ernstig is gemeend. En trouwens, niets zou ook minder waar zijn.

Als er één man is, die in alle opzichten zich gelijk bleef,

Sluiten