Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

activiteit te stellen, mits met toekenning van het in art. 5 genoemde pensioen als wachtgeld. Indien deze overeenstemming niet verkregen wordt beslist de Generale Synode.

Art. 11. De Hoogleeraren geven les in de vakken, door de Curatoren der Kerken en de Directeuren en de Curatoren der Vrije Universiteit, in overleg met elkander, hun bij hunne benoeming opgedragen, behoudens de wijzigingen, die daarin later met hun eigen goedvinden worden aangebracht , terwijl zij daarbij voorts zich houden aan de Series Lectionum, door de Curatoren der Vrije Universiteit vastgesteld.

Art. 12. Tot de Theologische colleges worden na afgelegd propaedeutisch examen alleen zulke studenten toegelaten, die een getuigenis aangaande leer en leven overleggen.

In geval iemand aan laatstgenoemde voorwaarde niet voldoet, wordt over zijne toelating door de Hoogleeraren in de Theologie beslist.

Art, 13. De Hoogleeraren in de Theologie zijn verplicht toezicht te houden op leer en leven der Theologische studenten.

Art. 14. De Vereeniging voor Hooger Onderwijs verbindt zich , van de Overheid in geen geval subsidie of voorwaarden te aanvaarden voor de Theologische Faculteit of voor hare Iloogleeraren, en ook voor de Universiteit in het algemeen geene voorwaarden te aanvaarden, die het bij dit contract aan de Gereformeerde Kerken toegekende zeggenschap over de Theologische Faculteit ook maar eenigszins in gevaar zouden brengen.

Art. 15. Vanwege de Kerken worden tien Curatoren benoemd. Deze benoeming geschiedt door de Generale Synode, in dier voege dat er rekening wordt gehouden met de tweeërlei actie, waaruit de tegenwoordige Gereformeerde Kerken zijn voortgekomen, en de eene helft van deze Curatoren benoemd wordt uit hen die gestudeerd hebben aan de Theologische School, en de andere helft uit hen die hunne opleiding verkregen aan eene der Universiteiten hier te lande.

Art. 16. De kosten, verbonden aan de vereeniging van de Theologische School en de Theologische Faculteit, eventueel ook de kosten van eene daardoor noodige verplaatsing van de Vrije Universiteit, zullen voor de helft gedragen worden door de Kerken, met dien verstande, dat indien een nieuw gebouw moet worden ingericht, van de kosten hiervoor zal worden afgetrokken de som, die het thans in gebruik zijnde gebouw der Vrije Universiteit bij verkoop opbrengt. De Vereeniging geeft voor de ontvangst van het aldus door de Kerken betaalde aandeel in de kosten

Sluiten