Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in beslag nemen. Er is dus dringende behoefte aan, dat , de arbeid der Classicale vergaderingen worde verminderd. Bovendien is het goed, dat eer allerlei dingen op de Classis komen, er eene poging gedaan worde ze op minder officiëele wijze af te doen. Moeielijkheden worden dikwijls gemakkelijker in een kleinen dan in een grooten kring uit den weg geruimd.

Aan dit doel beantwoordt in onzen tijd de kerkvisitatie meestal niet. Zij is dikwijls niets anders dan een vorm. Vraagt het slechts aan de kerkeraadsleden, die het nauwelijks de moeite waard achten er eenige uren hun arbeid voor te laten rusten. Zal de kerkvisitatie weêr aan haar doel beantwoorden en meer zijn dan een ledige vorm, dan moeten de visitatoren en de kerkeraadsleden samenwerken. De leden van den kerkeraad moeten dan eerlijk en oprecht met hun aanmerkingen tot de visitatoren komen. En de visitatoren diep doordrongen van hun roeping als organen van Christus, die tusschen de gouden kandelaren wandelt, moeten getrouw en ernstig waarschuwen, vermanen, bestraffen. G-een valsch begrip van esprit de corps mag hen verhinderen tegen diakenen, ouderlingen of dienaren des Woords op te treden. Alleen bij zulk een samenwerking kan de visitatie ook in onzen tijd een zegen voor de kerk des Heeren afwerpen.

§. Dat de kerkvisitatoren in de dagen onzer vaderen zich wel bekommerden om den toestand der gebouwen, blijkt, dunkt ons, uit liet volgende. Toen bij de kerkvisitatie te Havelte in 1675 de toren zonder" dak, en de pastorie van deuren en vensters beroofd gevonden werden, verklaarde de kerkeraad, dat herstelling moeielijk was vanwege het geringe inkomen der kerk, waarvan men nog het meerendeel moest afgeven aan het kapittel te Steenwijk. (Mr. W. H. De Savornin Lohman, De Kerkgebouwen van de Gereformeerde (Hervormde) kerk in Nederland, blz. 1B8).

§§. Voetius heeft fabricae templorum praefecti. Hij bedoelt dus zulke mannen, die het toezicht hebben over den bouw der kerk. Wij hebben het derhalve weergegeven door het woord kerkmeesters. In de middeleeuwen was de fabrica ecclesiae het bouwfonds, dat iedere stiftskerk had en waarover een geestelijke stond. Wanneer dat fonds ruim voorzien was, breidde men den bouw uit en anders beperkte men hem. Hij, die aan het hoofd van zulk een bouwfonds stond, werd wel eens magister fabricae genoemd. Maar aan zulke magistri fabricae kan toch niet worden gedacht bij de fabricae templorum praefecti van Voetius. (Otte, Handbuch der kirchlichen Kunst-Archaologie des Deutschen Mittelalters. II, 494.)

Sluiten