Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op den 6. December 1863 werd ik te Bierum in de provincie Groningen plechtig in het ambt bevestigd, door mijnen geestelijken vader Ds. Klinkert, na eene ernstige prediking over Coll. 4: 17: „Zegt aan Archippus, zie op de bediening die gij aangenomen hebt in den Heere, dat gij die vervuld. In 't middaguur van dienzelfden rustdag, trad ik voor het eerst als evangeliedienaar op met de woorden van David, uit 2 Kron. 17 : 16c: „ Wie ben ik Heere Heere en wat is mijn huis, dat Gij mij tol hiertoe gebracht hebt."

Hoe plechtig, hoe heilig en indrukwekkend was mij die morgenure!

Onvergetelijk bleef mij steeds het oogenblik, waarop ik, geknield onder het geopende Woord des Heeren, den vaderlijken zegen van Ds. Klinkert, in den Naam van Zijnen Zender ontving, in tegenwoordigheid eener groote schare en gedragen op de vleugelen des gebeds van 's Heeren volk! Gesterkt met kracht in mijne ziel, stond'ik van mijne knieën op, wijl 's Heeren Geest getuigde met mijnen geest, dat Hij mij gezonden had.

Toch trad ik des middags bevende op, onder den indruk van het gewicht der taak die mij was opgelegd en ook van wege de groote verantwoordelijkheid waaronder ik voortaan zou verkeeren. Ik gevoelde mij zoo gering tegenover mijnen hoogen Zender, zoo onbekwaam tot den heiligen en voortreffelijken arbeid, waaraan ik, van 's Heeren wege geroepen, voortaan mijn leven had te wijden.

Hoe zou ik ooit den last volbrengen: „Zie op de bediening die gij aangenomen hebt", hoe zou ik dien kunnen vervullen? Doch ik werd omgord met kracht. Davids sterkte: „Gij hebt mij tot hiertoe gebracht", was ook mijne sterkte. Het bewustzijn: „de nood is mij opgelegd", waarmede voor enkele jaren de Heere de roeping zoo sterk aandrong, bond mij opnieuw; de bemoedigende aanmaning: „werp uwe vrijmoedigheid niet weg, zij heeft een groote vergelding des loons", gaf mij moed en krachten, in 's Heeren mogendheden den arbeid te beginnen en voor de toekomst te hopen op Hem die de kracht vermenigvuldigt desgenen die geen krachten heeft.

En die hope heeft de Heere niet beschaamd, in hoevele opzichten ik mij ook over mij zeiven heb te schamen.

\ijf en twintig jaren na mijne bevestiging vierde ik het

Sluiten