Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tekst: Gen. 33 : 20. En hij richtte aldaar een altaar op en noemde het: De God Israëls is God.

Al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering geschreven, zoo getuigt Gods Geest zelve in des Heeren Woord en, niet waar? door dat Woord worden we aangemaand om nauwkeurig te onderzoeken en aandachtig te bepeinzen, wat 's Heeren getuigenis ons meldt. Maar ook evenzeer tot een oprecht navolgen van den godzaligen wandel van die kinderen Gods, wier historie ons in dat getuigenis staat geboekstaafd. En kunnen we uit ons zeiven tot dat bepeinzen en dat navolgen nooit komen op de rechte wijze, mocht dan Gods Geest door Zijne genadewerking ons bekwaammakende genade verleenen, ook nu, nu we een oogenblik wenschen na te denken over:

Jakobs dankerkentenis na genoten zegeningen.

Die dankerkentenis spreekt zoo helder uit het altaar, dat hij den Heere bouwt en uit den naam, dien hij dat altaar geeft. Dat zal ons duidelijk worden, naar we hopen, als we gaan aantoonen:

1. Het altaar van Jakob spreekt van rechte dankerkentenis.

2. Het altaar van Jakob getuigt van blijde geloofszekerheid.

3. Het altaar van Jakob bewijst vrijmoedige geloofsbelijdenis.

Op elk van die zaken letten we een oogenblik om dan

met een toepasselijk woord te besluiten.

I.

Jakobs altaar spreekt van rechte dankerkentenis, zoo zeiden we in de 1° plaats. Om dat te bewijzen, zien we a. waarvoor is Jakob dankbaar; b. hoe uit zich die dankbaarheid.

Jakob is dankbaar voor de vele zegeningen en ontelbare bewijzen van Gods trouw, die hij heeft mogen genieten. Als hij daar staat bij den altaar, te Sichem gebouwd, gaat hij in zijne gedachten een twintig jaar terug en aanschouwt zich zeiven nogmaals als de eenzame zwerveling, die, verdreven uit 's vaders tent, de oorden van Kanaan doortrekt. Nu eens gaat zijn weg door de eenzame grasvlakten, waar geen menschelijke stem wordt gehoord; dan weer leidt zijn pad

Sluiten