Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had hebben op hem zoowel als op mij. Zoo ook, wanneer ik zeg: „men heeft mij in die zaak niet gekend." In den Bijbel vindt ge kennen in dien zin op velerlei wijze gebruikt. Zoo zegt de Heere van Abraham: „Ik heb hem gekend, opdat hij zijnen kinderen en zijnen huize na zich zoude bevelen en zij den weg des Heeren houden" (Gen. 18:19); en bij den profeet Jeremia lezen wij: „Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht. Is dat niet Mij te kennen, zegt de Heere?" (hfdst. 22:16). Het kennen onderstelt daarom een waken en zorgen voor iemand of iets, waarom de Spreukendichter zegt: „De rechtvaardige kent het leven zijner beesten", (hfdst. 12:10). Als David vluchten moest voor Saul en zich verbergde in de spelonk, kon hij klagen: „Ik zag uit ter rechterhand, en zie, zoo was er niemand, die mij kende; niemand zorgde voor mijne ziele" (Ps. 142:5), terwijl hij elders jubelt: „Ik zal mij verheugen en verblijden in uwe goedertierenheid, omdat Gij mijne ellende hebt aangezien en mijne ziele in benauwdheden gekend" (Ps. 31 : 8).

Deze weinige plaatsen zullen voldoende zijn om u te doen gevoelen dat er in het kennen, zooals de H. Schrift het verstaat, een veel rijker en dieper inhoud ligt, dan wat kennen naar de gewone opvatting zegt: een bewustzijn hebben, een weten van iets. Het ware kennen heeft zijnen zetel in het diepst van het menschelijke wezen, in het hart, waaruit de uitgangen des levens zijn, en verbindt zich daarom met het leven en het lieven van dat hart. Het oppervlakkige kennen, dat slechts een weten is, meer niet, maakt den mensch eigendunkelijk,

Sluiten