Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handelen, een leeren-kennen en te-weten-komen, en een resultaat; het gekende, dat wat geweten wordt. Op beide lijnen, als ik mij zoo uitdrukken mag, bestaat er samenhang tusschen het eerdere en het latere, het voorafgaande en het volgende, maar beide moeten eenen aanvang hebben; er moet zijn eene of meer primaire acten van het kennen en weten, en primaire kennis en wetenschap. Daar het kennen en weten onder alle menschen gelijk van aard, één in wezen is, moet dat primaire aan den mensch, den mensch als soort, gegeven zijn. Aan de eene zijde is het een vermogen om voorstellingen en begrippen te vormen en aan den anderen kant zekere grondvormen, 't zij men die aangeboren begrippen, categorieën of anders noemen wil. Beide liggen oorspronkelijk beneden het gebied van ons bewustzijn, en doen ook reeds hunne functies vóór het licht van het bewustzijn opgaat. De begrippen verbinden zich reeds tot oordeelen, die juist omdat ze niet met bewustzijn tot stand komen, maar door den gegeven aard van het menschelijke kenvermogen bepaald worden, algemeene waarheden zijn.

Dat op deze wijze gedachten en oordeelen door den mensch onbewust gevormd worden, leert, naar ik meen, eene nauwgezette naspeuring van ons eigen zieleleven en niet minder de Heilige Schrift, waar David bijv. in Ps. 139:2 zegt: „Gij verstaat van verre mijne gedachten," d. w. z. eer ze nog in mijn bewustzijn opkomen, eer ik zelf ze weet.

Ik spreek hier natuurlijk slechts van die gedachten of oordeelen, die den grondslag van onze kennis van

Sluiten