Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antigoddelijk is en van wat naar God uitgaat. Soms, waar de verzoening zoo gemakkelijk wordt voorgesteld, komt de vraag bij ons op of deze Katholiek de diepe tegenstelling van Augustinus tusschen den Godsstaat en het wereldrijk uit het oog heeft verloren. Stellig wil hij, de getrouwe zoon zijner kerk, dit toch niet. Maar de ijver om de wereld te winnen sleept hem mede tot concessies, die kloeker denken wraken moet.

Scherper en meer beperkt tot de verhouding van geloof en wetenschap is het onderwerp van Ehrhard ook door anderen ter hand genomen. Met een geschrift van Prof. Pernter, den natuurkundige die het terrein der wetenschap en dat der openbaring tracht af te bakenen, hebben onze lezers reeds kennis gemaakt1). Yan bijzonder belang is een boekje waarop Prof. Schel 1 het katholicisme als „Princip des Fortschritts" behandelt2). Beide geleerden gaan uit van den achterstand der Katholieken in de beoefening der wetenschap; beiden bedoelen een luide vermaning tot de katholieke jongelingschap te richten alle krachten in te spannen. Want het Katholicisme zelf brengt geen domperigheid en lichtschuwheid mede: het moet behoud en vooruitgang, die twee „halve waarheden" met elkander verbinden (Schell p. 67, 69), het sluit den vrede tusschen rede en geloof, onderzoek en openbaring (p. 59), het eischt die ware vrijheid van het denken dat alleen aan de waarheid gebonden is (p. 51). Zoo ligt de inferioriteit der Katholieken in de geleerde carrière volstrekt niet in het wezen der zaak 3).

Tweeledig: is de houding1 van Protestanten tegenover

O O ~

dergelijke uitingen: zij juichen ze toe als „liberaal", waar-

1) „Vrij onderzoek en katholieke wetenschap", in 't hollandsch vertaald door Dr. Mac Eliot 1902, aangekondigd in „Onze Eeuw" September 1902 p. 458.

2) Herm. Schell: Der Katholicismus als Princip des Fortschritts 7e Aufl. 1899.

3) Te onzent schreef Dr. M. A. P. C. Poelhekke Het te-kort der katholieken in de wetenschap (1900), waarover men ook zie de recensie in de Katholiek CXVII p. 297—306.

Sluiten