Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebonden. Moeilijk te begrijpen valt het niet, dat bet Roomsche deel van ons volk tegenover de „nationale instellingen" onzer Rijks-Universiteiten niet dan een zeer platonische liefde gevoelde. De theologische faculteiten aan die publieke Universiteiten waren, na ampele discussie, door de wet van 1876 feitelijk ontzield en neergedrukt tot den rang van faculteiten van „godsdienstwetenschap", al was ook bij amendement de naam van „godgeleerdheid" voor het complex van historische en litterarische vakken, waarin zou worden onderwijs gegeven, nog behouden. Trotsch op haar eeuwenoud, welsluitend theologisch systeem, dacht Rome er niet aan, van de door de wet geboden gelegenheid gebruik te maken, om het officieel onderwijs in de „godsdienstwetenschap" „aan te vullen" met eigen Kerkelijke hoogleeraren. Met rechtmatige minachting wendde zij zich van dat heterogeen stel vakken, met den weidschen naam van „godgeleerdheid" bestempeld, af en stichtte of behield eigen seminariën voor het opkweeken harer geestelijkheid. En deed de eigenaardige opvatting harer dogmatiek in zake het verband tusschen „natuur" en „genade" haar al ietwat vriendschappelijker staan tegenover de andere faculteiten der publieke hoogescholen, haar geleerde paters Jezuieten hadden haar wel zooveel gewaarschuwd, met name voor natuurkunde en sociale wetenschappen, tegen de pernicieuse consequentie der moderne levensbeschouwing óók voor de profane vakken van wetenschap, dat ze niet dan met zekere huiverende aarzeling haar zonen naar 's lands hoogescholen stuurde, om in geestelijke en exacte wetenschappen met de sociaal benoodigde dosis hooger onderwijs te worden toegerust. De resultante van al die gevoelens was, dat, indien al van liefde voor de publieke Universiteiten kon worden gesproken, die liefde dan toch in elk geval een zeer gedeelde was.

Sluiten