Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8 15 Juni j.1.). Hoewel met het laatste betoog inzake de

interpretatie van art. 194 G.W. het vrijwel eens zijnde, komt „de Nederlander" tot een andere conclusie. Of juister. Zij is, evenals schrijver dezes, een warm voorstander van het Ontwerp, maar op gansch andere gronden. De Nederlander eikent het boven omschreven recht der ouders om hun kinderen in eigen geest op te voeden, maar komt tot de conclusie, datei, wat de consequentie van dit beginsel betreft, een principieel onderscheid bestaat tusschen het Lager Onderwijs en het Hooger. Gaat het bij het Lager Onderwijs om den geestelijken toevoer van afgemeten doses wetenschappelijke vrucht, bij het Hooger Onderwijs gaat het om het onderzoek naar de waarheid en het vormen van „fabrikanten van wetenschap , zooals de Nederlander het noemt. Wat nu voor Lagere School en Gymnasium wordt bereikt door eigen scholen, van het publiek gezag onafhankelijk en gesteund door subsidie, bereikt men bij het Universitair Onderwijs door aan de Staatsinrichtingen aan de titularissen volmaakte leervrijheid te verleenen. Ieder mag daar uitgaan van de beginselen, die hij zelf verkiest, en die zonder eenige beperking doceeren.

Door die vrijheid van doceeren acht de Nederlander de vrijheid van Hooger Onderwijs genoegzaam gewaarborgd. Mits maar met wat meer onpartijdigheid worde benoemd en mits ook aanvulling met bijzondere Katheders voortaan zij gewaarborgd, is in principe de bestaande regeling niet af te keuren. „De openbare Universiteiten zijn en moeten blijven de kampplaats') waar elk wetenschappelijk man toegang heeft," Hooger Onderwijs kan wel gegeven op Calvinistischen of Thomistischen of Platonischen of Hegeliaanschen

1) Ik cursiveer.

Sluiten