Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwijs, waarin moet worden geëxamineerd volgens de wet, onderhevig zijn aan de subjectieve opvattingen van den docent over zijn inhoud en omvang. Wie bijvoorbeeld examen moet doen in de Oude Geschiedenis, weet nog wel zoo ongeveer, welke vragen hem zullen worden gesteld, al doet ook hier het gebruik van verschillende handboeken aanmerkelijk verschil ontstaan tusschen de opvatting van den eenen en van den anderen professor. Maar veel erger wordt dit als moet geëxamineerd, om nu maar eens iets te noemen, in de Encyclopaedie des Rechts. Zouden er wel twee docenten zijn, die daaronder zelfs maar ongeveer hetzelfde verstaan? Ik waag het dit te betwijfelen. Men behoeft echter niet eens tot deze abstracte vakken de toevlucht te nemen maar neme maar economie en staatsrecht en legge dan den exameneisch van de titularissen van twee verschillende Universiteiten naast elkaar om te zien hoe soms de een dubbel zooveel vraagt als de ander. Neem eens welken student ge wilt, die „klaai is voor zijn examen, stel hem nu voor aan een andere Universiteit zijn examen te doen, neem een „kiekje' van het gezicht dat hij trekt, en leg dit naast het gekunstelde betoog van Q. N., en ge zult schrijver dezes wel willen ontslaan van vei der betoog.

En toch moet ik nog één punt releveeren, dat de minister liet liggen. Het is dit. Stel (des neen) dat het voorafgaand betoog van a tot z onjuist was, dan dunkt mij nog overwegend dit argument, dat, nu eenmaal in onze wetgeving de „effectus civilis" is vastgehecht aan Academische examens, het voor het welzijn eener Bijzondere Universiteit noodzakelijk is, dat recht te bezitten, om de uiterlijke eere en de daaruit voortvloeiende attractie, die ze uitoefent op de ter studieoptrekkende jongelingschap. Men moge dit klein en kortzichtig achten, en van oordeel zijn, dat enkel het wetenschappelijk

Sluiten