Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vleugelen. Hij wil niet alleen niet tot Jezus komen, maar hij wil ook niet tot zijn ééne kudde komen: hij wil hetzij alleen of met anderen samen, op zich zelf blijven staan. Dit bijeenvergaderen, zit alzoo i n den arbeid des Evangelies aan de zielen, gelijk Jezus zelf dien arbeid voorstelde.

In Joh. 10: 16 betuigt dan ook de groote Opperherder Zijner schapen: „Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet ik ook toebrengen; en zij zullen Mijne stem hooren; en het zal worden ééne kudde en één Herder." — Laat ons toezien een iegelijk voor ons, dat w ij niet arbeiden om uiteen te houden hetgeen waaraan Jezus arbeidt van uit den hemel, om het b ije e n te voegen en om hel één kudde te doen zijn!

In Matth. 12: 30 en Luk. 11: 23 lezen wij deze woorden van Jezus: „Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit." Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat het „verstrooien" is tegen het vergaderen, tegen het verkeeren en zijn met Jezus. Het verkeeren of zijn met Jezus wordt hier ook genoemd een ,,vergaderen", n. 1. met Hem. Dat is, met Hem in het midden, met Hem als het ééne Hoofd. „Verstrooien" en alle arbeid in de richting van „verstrooien", is dus in strijd met het gehoorzamen van het Evangelie, in strijd met het komen tot Jezus, en met het verkeeren met Hem, in strijd met den arbeid van Jezus aan de zielen. Alles wat van den geest van het „verstrooien" uitgaat is in één woord tegen Jezus en zijn Evangelie en tegen zijne Gemeente. Het willen verstrooien, het willen verscheuren van de Gemeente van Jezus is openbaring van een geest, die tegen Jezus en tegen Zijn Gemeente zelf gericht is, en die dus geenszins uit God is . En niet alleen uit de tegenstelling „verstrooien", maar ook uit het eenvoudige, in den tekst gebruikte begrip van „vergaderen" volgt klaar, dat alle tegenstaan van de eenheid der Kerk zoover n.1. Gods Woord zelf die eenheid in deze bedeeling eischt, — een ingaan is tegen Jezus, en tegen Z ij n werken en arbeiden.

In Joh. 11: 51 en 52 lezen wij deze opmerkelijke woorden: „dat Jezus sterven zou voor het volk; en niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods die verstrooid waren, tot één zou vergaderen". Jezus zou alzoo de kinderen Gods die verstrooid waren, dat is : de uitverkorenen uit alle geslachten en

Sluiten