Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groenen) door weer en wind doornat van bier en andere vochten van de eene naar de andere dondergelegenheid gaan, om de eenvoudige reden, dat zijin dien toestand zijnde, geregeld naar huis gestuurd of gebracht worden.

Omtrent hetgeen vermeld staat bovenaan bl. 59, verwijs ik naar art. 12 Regl. v. d. Grrt.

Wat U uit Uw eigen groentijd vermeldt behoeft immers voor niet meer opgevat te worden als , een bloote mededeeling, U en anderen verwijzende naar hetgeen U zelf voorop gesteld hebt: „Bij voorkeur zal ik mij bepalen tot gebeurtenissen uit den allerlaatsten tijd, mede om de schijnschoone bewering te ontzenuwen, dat ik uit mijnen tijd ben en met oude kost kom aandragen, zooals er tegenwoordig geene meer wordt opgedischt."

Niet „bij voorkeur" moest U dat doen, maar juist alléén uit den allerlaatsten tijd, omdat in dien tijd de reglementen op den groentijd zijn ontstaan. In elke wetgeving zijn leemten, waarom bestaat die mogelijkheid niet voor dit samenstel van regels? Ongetwijfeld zijn ze voor herziening en aanvulling vatbaar.

De schoone zijde van den groentijd wordt door U maar zeer terloops behandeld, omdat het, zooals U zegt, buiten uw bestek ligt. Dat is mij niet erg duidelijk. De titel van uw boekje is: „Grroenloopen" en nu behandelt U zeer uitvoerig de slechte zijden,

Sluiten