Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Tot op onze laatste Synode toe heeft men de oppervlakkige redeneering kunnen hooren, dat onze vaderen in de dagen der scheiding alleen door de praktijk tot het stichten hunner Theologische School zijn gekomen.

Zij konden niet anders, zegt men, en handelden maar zooals dat het beste kon, maar volstrekt niet uit de overtuiging dat zij aldus moesten handelen.

Wij komen echter tot die uitspraak in geenen deele.

Al zou het waar zijn, dat zij alleen door de gangen der praktijk tot hunne school waren gekomen, dan zou zij daarmede nog niet gestempeld zijn tot iets, dat van voorbij gaan den aard was.

Het is immers gedurig opgemerkt, dat het leven gaat vóór de leer, en de praktijk vóór de theorie. God leidt de menschen tot daden, terwijl zij vaak eerst veel later tot het inzicht komen, waarom die daden alzoo zijn moesten.

Zoo zou het ook hier kunnen zijn, dat onze vaderen, bijna onbewust, onder de leiding des Heeren op den juisten weg waren gekomen voor de opleiding van leeraars der Gemeente van Christus.

En wanneer wij letten op de bijzondere en soms wondere leiding van Gods Geest in het werk der scheiding, dan mag zelfs zonder nader onderzoek gehoopt worden, dat ook hierin diezelfde leiding blijft te aanbidden, en dat zij niet op een verkeerd spoor zouden gaan bij eene stichting, die van zoo groote beteekenis moest worden.

Maar bovendien zijn zij niet enkel door de praktijk geleid. Zij handelden ook uit het bewustzijn, dat het alzoo moest geschieden.

En uit de vele jaren, waarin zij over het stichten hunner school hebben gehandeld, zijn er de historische bewijzen, die dat nadrukkelijk aantoonen.

Sluiten