Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene bitterheid in sornmiger gemoed ontstaan, die niet onverklaarbaar zou wezen, maar die toch niet de drijfveer van ons handelen mag zijn, zullen wij niet nog meer den zegen verderven door onze eigene zonde.

Wij moeten door den drang onzer roeping geleid worden.

Wij gaan daarom niet alles na, doch moeten wel op eenige hoofdpunten wijzen.

Reeds terstond na '92 werd de leuze gesteld, dat er eenheid van opleiding moest zijn, om de werkelijke eenheid der kerken te bevorderen.

Toch was die leuze maar ten deele waar, en lag veel meer in het gebrek aan onderlinge waardeering de oorzaak, dat de tweeheid van vóór 1892 zich nog maar al te veel deed gevoelen.

Was men echter van die behoefte doordrongen, dan zou men mogen verwachten, dat alle opleiding zooveel mogelijk naar de Theol. School zou overgebracht worden. Yoor haar voortbestaan had men zich immers verbonden.

Praktisch werd evenwel niet de vraag gesteld:

Hoe komen wij tot eenheid van opleiding zonder de Theol. School te schaden, maar : hoe komen wij daartoe, zóó dat de Y. U. preadomineert ?

Als gevolg daarvan werd reeds op de Synode van 1893 te Dordrecht een voorstel gedaan om de Theol. School te vereenigen met de Theol. Faculteit der V. U. Mocht de School niet opgeheven worden, ze mocht toch wel verplaatst en met eene andere inrichting verbonden worden.

Feitelijk was die gedachte reeds eene sterke verzwakking van de overeengekomen bepaling, want daarmee hield in ieder geval het uitsluitend zeggenschap der Kerken op, wat bij de Theol. School juist als het meest kenmerkende moet genoemd worden.

Ook zou men dan samenwerking gekregen hebben

Sluiten