Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sprekelijkste uitkomsten der nieuwere textonderzoekingen, reeds de resultaten der 'lagere' Bijbelkritiek anders gezegd, worden door mannen als A. Kuyper en Woltjer en Bavinck voor de Gereformeerde gemeente braaf en eerlijk . . . verdonkeremaand.

Volgens het achtste lid der synagogale geloofsbelijdenis heeft een Jood te getuigen: „Ik geloof met volmaakte vastigheid, dat heel de Thora, gesteld in onze handen, dezelfde is, die gegeven is aan Moosjè onzen leeraar, — op hem de vrede!" En in zijne rede over 'de verflauwing der grenzen' heeft ook Abraham Kuyper kloek weg gezegd: „Zooals mijn Heiland aan Mozes en de Profeten geloofde, zoo en niet anders wensch ook ik aan de Schrift te gelooven." Duidelijk is het dan ook, dat de Gereformeerde zoo spreken en schrijven moet, in zooverre hij Gereformeerd hééten wil, doch even zeker is het, dat in weerwil aller Gereformeerde algemeenheden over de vereenigbaarheid van geloof en wetenschap, algemeenheden, die dan zeer in het bijzonder ten goede moeten komen aan een bepaald (niet bijgeval 'ethisch' of 'irenisch' rechtzinnig maar stijf) Gereforméérd geloof, — zeker is het, dat de Gereformeerde aanvaarding des Bijbels als grondslag van overtuigingen de aanvaarding is van eenen grondslag, die ongeveer de vastheid van de wolken heeft. Het worde hier eens onomwonden en beslistelijk uitgesproken, dat de Calvinist voor eene 'vrije' universiteit op Gereformeerden grondslag niets meer of

Sluiten